donderdag 22 augustus 2013

Geen leer, geen traditie, geen leerling en geen leraar


Een impressie van een onderzoek


Bij verschillende geloofsgemeenschappen en spirituele tradities ben ik in de leer geweest, waarna ik uiteindelijk het boeddhisme omarmde, eerst het Tibetaans boeddhisme en later zen.
Ik was als beginner gefascineerd en nieuwsgierig, zen sprak mij vooral aan vanwege z’n eenvoud. Die voorkeur zal wel te maken hebben met mijn protestantse achtergrond.
Als ijverige student zette ik me met de nodige discipline volledig in. Ik volgde weekenden, deed sesshins, legde geloften af en kreeg nieuwe namen.
Dat er een lange weg voor me lag, daarvan was ik me terdege bewust – wat ook wel aantrekkelijk was, het schept structuur en richting.
Je bent steeds op weg naar een zekere verbetering van jezelf en de wereld. Dat is hoopvol, het zou best wel eens kunnen dat aan het einde van de reis je leven op een dag geheel volmaakt zal zijn.
Ik werd geïnspireerd door de naam die ik van Osho kreeg: Dhyan Kundan (wat zoveel betekent als ‘gouden meditatie’), en door de ervaring van magische momenten waarop meditatie zomaar gebeurde.

Meditatie werd de leidraad in mijn leven. Bij zen is meditatie de belangrijkste beoefening, waarbij je een houding aanneemt die is voorgeschreven: het zitten op een kussentje is de basis van bijna alle vormen van meditatie.
Toch ontstond er in de loop van de tijd verzet tegen de formele aspecten en de rituelen. Wat eerst een zekere houvast gaf, veranderde al meer in een afkeer.
Ik weet dat als je zoiets tegenkomt, dit juist materiaal kan zijn voor de beoefening. Elk nadeel heeft zo zijn voordeel. Er heerst ook de opvatting dat je uiteindelijk al die formaliteit moet zien als een spel. Maar dat spel wordt toch wel heel serieus opgevat …
In werkelijkheid was ik aan het imiteren om iets te bereiken waar ik mijn best voor moest doen. Deze inspanning leverde verdeeldheid en angst op.
Tegelijkertijd deed ook mijn lichaam een duit in het zakje, het werd voor mij al moeilijker om in een goede meditatie houding te zitten, zoals ik dat jaren gewend was.
Wat nu te doen?
“De waarheden die anderen je vertellen en de rituelen die je imiteert zijn uiteindelijk niet van belang, maar de ontdekking die je doet door zelfonderzoek.”

woensdag 15 mei 2013

Dromend naar de wereld kijken

Een blik uit de ruimte op het aardse gewoel


'Earthrise'
[klik om te vergroten]
In december 1968 werd ons als mensheid deze blik op de aarde gegund, gezien door de ogen van een astronaut, vanaf een afstand van zo’n 385.000 kilometer: onze planeet rijst op boven de oppervlakte van de maan als een magische bol – vooral blauw, zacht en vredig, met de continenten in rossig bruin, zag Frank Borman – in een oneindige, onverschillige ruimte.

‘Earthrise’ – genomen vanuit de Apollo-8 – markeerde volgens aardwetenschapper Peter Westbroek een omslag in ons wereldbeeld en het ontstaan van een nieuw tijdperk. In zijn bestseller De ontdekking van de aarde (2012) staat hij stil bij deze Copernicaanse wending, toen in korte tijd miljoenen mensen zich bewust leken te worden van de planetaire beperkingen, van de ‘grenzen aan de groei’. Thema’s als de uitputting van de grondstoffen, de klimaatverandering, de overbevolking en de vernietiging van de biodiversiteit, kwamen in het centrum van de belangstelling te staan.
Het aanzicht van die nietige, kwetsbare aarde, die al zoveel duizenden jaren gebukt gaat onder uitbuiting, honger en geweld, gaf de idee van de mens als rentmeester van de schepping de genadeslag: “Nu, vanuit de ruimte gezien, werd de mensheid een bijna onzichtbaar, ongetemd monster, een bedreiging voor deze unieke oase in de ruimte.”

Hoe ervoeren zij dat, die drie daar op de maan, toen door het menselijk vernuft zoveel distantie was geschapen dat we als mensheid die ene blik op onszelf durfden te werpen?
De eerste reactie was ontroering. Frank Borman riep uit: “Oh my God! Look at that picture over there! Here's the Earth coming up. Wow, is that pretty!”
In zijn autobiografie schreef hij: “Het was het mooiste, aangrijpendste beeld van mijn leven, dat een stroom van nostalgie, van gewoon heimwee in me losmaakte.”
En de drie astronauten hadden de tegenwoordigheid van geest een foto te nemen – met telelens overigens, de aarde was niet groter dan ‘de nagel van de duim aan een gestrekte arm.’
Een NASA-functionaris zei later over ‘Earthrise’: “Het kwam erop neer dat een stukje film van negentien cent de belangrijkste uitkomst was van een project dat miljarden dollars had gekost.”

dinsdag 26 maart 2013

Who's Afraid of Red, Yellow and Blue III (2)


1972, tentoonstelling van schilderijen van Barnett Newman in het Stedelijk, Amsterdam.
Gewoontegetrouw ging ik kijken, het Stedelijk was zo'n beetje mijn tweede huis.
Het was het jaar waarin ik aan de ‘Cape’ werkte, een eenvoudig beeld van 2,20m hoog, in klei, met een spleet in het midden aan de voorzijde. Het was gespeend van dramatiek, en daarin anders dan het werk van voorgaande jaren.
Het was een warme dag, die dag dat ik naar Newman ging kijken, en ik had nog nooit van hem gehoord.
Wat ik zag was veel licht van lampen vanaf het plafond, en kleurvlakken aan de wanden.
“Alweer zo'n Amerikaan met megagrote formaten,” dacht ik, en ik ging zitten en keek naar mijn voeten. Zo zat ik een poos. Ik had geen zin om mijn best te doen om iets te begrijpen wat ik niet begreep. Maar na een tijd kreeg ik een gevoel alsof er stralen licht vanaf de muur mijn schedel aanraakten, en ik keek op om te zien wat het was.
Ja, het waren die grote doeken met die intense kleurvelden.

Ik ben geen schilder. Pas later las ik over zijn techniek, die hij een beetje geheim hield.
Hij schilderde met olieverf, met een penseel, laag over laag in transparante kleurvlakken, zodat de kleur aan diepte won en begon te stralen. Hij stond er dicht op en woonde in die kleur. Hij wilde dat de toeschouwer ook dicht op het doek zou staan, maar in het museum geldt een afstand van drie meter.
Desondanks maakte hij dus eigenlijk een plek om te zijn en bepaalde maten en afstanden.
Daarbij gebruikte hij stroken plakband om het beeldvlak structuur en een verborgen symmetrie te geven. Na het schilderen trok hij het plakband weg en zo ontstonden de ‘zips’.
Misschien baseerde hij zich op de getallenmystiek van de Kabbala en zijn daardoor de verhoudingen van de kleurvelden zo levend, en ontstaat zo de ervaring van ‘Makom
, de plek waar de mens woont en waar God tot hem spreekt en waar de mens tot God spreekt.

Newman voelde zich ook verbonden met het Chassidisme, las de verhalen van Rabbi Nachman (die Maarten een paar maanden voor zijn overlijden opnieuw wilde horen).

Hoe het is afgelopen met ‘Who is afraid of red, yellow and blue’ is bekend: iemand maakte er met een mes een diepe snee in, het werd gerestaureerd door Goldreyer in Amerika, de snede werd gaaf opnieuw geweven, maar Goldreyer overschilderde het hele doek met alkyd/verf (buitenverf voor huisschilders) en bedekte zo voor altijd de stralende olieverf.
Nu is het doek dood.


Hanna Mobach

maandag 11 maart 2013

Who’s afraid of Red, Yellow and Blue III


Onlangs ging ik op bezoek bij een van mijn favoriete kunstwerken, ‘Who’s afraid of Red, Yellow and Blue III’ van Barnett Newman, in het pas heropende Stedelijk Museum. Sinds 35 jaar, toen ik net in Nederland was, en veel – waarschijnlijk te veel – tijd had om te niksen, ben ik gefascineerd geweest door dat schilderij en ging ik heel vaak naar het Stedelijk, om naar de toen al onovertroffen permanente collectie te kijken en dus vooral naar ‘Red, Yellow and Blue’. Soms ging ik alleen voor dat ene schilderij, want ik kon gratis naar binnen. 
Ik had het nu jarenlang niet in het echt gezien, omdat ik in mijn huidige alledaagse leven vaak de tijd en energie niet heb voor dat soort ‘frivoliteiten’, en natuurlijk ook omdat het museum sinds 2004 gesloten is geweest. 

Who’s afraid of Red, Yellow and Blue III (1967, 245x543 cm)

Cathedra (1951, 243x543 cm)

(Deze plaatjes doen geen recht aan de schilderijen; die moeten in het echt gezien of eerder, beleefd, worden)

Ik had me er dus op verheugd en groot was mijn teleurstelling dan ook, toen ik er stond en ontdekte dat ‘Red, Yellow and Blue’ voorlopig niet meer tentoongesteld wordt in de permanente collectie. Nu hangt er ‘Cathedra’, uit 1951; ook een prachtig schilderij, ook een klassieke Barnett Newman. Toch is ‘Red, Yellow and Blue’ het schilderij waaraan ik moest denken toen ik weer in die zaal stond. 

35 jaar geleden - ik was 23 en had Suzuki al gelezen - vond ik zen terug in dat schilderij: een representatie van een ideale gemoedstoestand. De sereniteit die de uitgestrekte kleurvlakte teweegbracht, gaf me een open, ongehaast en ontvankelijk gevoel. 
De verticale strepen in het schilderij beleefde ik aanvankelijk als een soort onderbrekingen in de tijd die ik nodig had om het tot me te nemen, adempauzes. Zelf noemde Newman de verticale kleurstrepen ‘zips’ (ritsluitingen), en inderdaad, daarmee wordt de zee of hemel van kleur – waarin je je kunt verliezen als je maar genoeg dichtbij staat – opengeritst en geeft een glimp van de werkelijke oneindigheid erachter. Een opening naar het licht, de toekomst, de eeuwigheid.
Toen ik dit voor het eerst zag kwam ik misschien wel het dichtst bij een moment van verlichting dat ik ooit heb meegemaakt. Geen wonder dus, dat dat schilderij naast een heleboel andere kunstwerken (niet alleen in de beeldende kunst maar ook in film, literatuur, drama, dans) een van mijn trouwe ouwe vrienden werd en altijd zal blijven. Want het is in de kunsten dat ik inspiratie, verwondering en vreugde vind, en ja, heel soms ga ik ook voor een wandeling in de natuur, maar dat is nooit mijn eerste keus geweest. Het liefst kijk ik naar kunst zonder verhaal. Voor mij geen narratieve verwijzingen die mij aan vergane glorie of de appeltaart van mijn oma doen denken. Geef mij maar een abstract of absurdistisch werk, waarbij ik met het ondoorgrondelijke moment van beleven geconfronteerd word.


Lene Gravesen